Carissima sorella mia,

Ik droomde er al heel lang van om eens de stad Tropea in Calabrië te bezoeken. Ten eerste omdat de lekkerste rode uien daar vandaan komen en ten tweede omdat foto’s een melancholiek makend mooie stad lieten zien, gebouwd op steile rotskliffen, hoog boven de al even melancholiek makend mooie mare mediterraneo.

Een ideale bestemming dus, maar wel 350 kilometer ver weg.

Een reis dwars door Calabrië is sowieso de moeite waard, omdat het misschien wel het veelzijdigste deel van Italië is en omdat je er behalve die uien allerlei andere interessante etenswaren kunt vinden, zoals een crème van pikante salami (nduja) en bovendien groeit er een plant die ik al heel lang zocht, de Glycyrrhiza glabra. Van zijn wortels wordt zoethout  en drop gemaakt en je kunt er bovendien een lekkere likeur van maken!

De regione Calabria is veel ruiger dan Puglia en op sommige plekken zelfs onherbergzaam, met hoge bergketens en ondoordringbare bossen. Er zijn gigantische natuurparken zoals La Sila en Aspromonte waar je behalve besneeuwde bergtoppen ook wolven en adelaars kunt tegenkomen. We reden een groot stuk over de Autostrada, die om onduidelijke redenen gratis is en genoten van de onvoorstelbare hoeveelheid verschillende soorten groen waar het land, als gevolg van een zeer regenachtige lente mee was bedekt. Aan de westkust (waaraan ook Tropea ligt) zagen we het ene bloedstollende vergezicht na het ander. Af en toe reden we honderden meters boven zeeniveau en zagen we enorme delen van de Calabrese kust.

Vlak na het dorpje Pizzo konden we via een klein weggetje bij het strand komen waar niemand was en waar ik mijn eerste duik van het jaar kon nemen. Verfrist en vol goede moed kronkelden we de laatste 40 kilometer kustweg naar Tropea. Het adres van het belachelijk goedkope hotel (30 euro) zat in de tomtom. Die bracht ons echter niet naar het hotel. maar middenin het overvolle, voor het verkeer afgesloten centrum van het stadje. Daar zaten grote groepen toeristen zich aan tafeltjes met veel te dure cocktails voor zich, dodelijk te vervelen.

Ik parkeerde de auto en wilde mijn schoenen aantrekken, maar ik vond er maar een. De andere was spoorloos. Ik had 2 euro voor het paar betaald op de rommelmarkt dus een groot verlies kon ik het niet noemen. “Hè wat vervelend” zei ik. “Dan moet ik maar even een paar slippers aanschaffen”. Terwijl ik het zei kreeg ik het gevoel dat iemand een lasapparaat op mijn hoofd had gericht, maar het waren de woedend brandende oogjes van Anna. “Slippers aanschaffen? Hier? Ben je helemaal besodemieterd! Die kosten een Godsvermogen! Ik zag overal souvenirwinkeltjes uitpuilen van kleurrijke vrijetijdskleding, waaronder honderden slippers en toen ik tot grote vreugde van de  toeristen -dankbaar dat er eindelijk eens iets gebeurde- op een schoen en een blote voet naar zo’n uitstalling liep,moest ik inderdaad vaststellen dat ik voor het goedkoopste paar plastic teenslippers, (dat al na twee minuten lopen aan flarden zou liggen) 25 euro moest neertellen.

“We rijden nu terug naar dat strandje en je haalt die schoen op” brieste ze. Je kunt van alles met Anna doen behalve haar tegenspreken. En terecht. Hoe vaak per dag vergat ik niet mijn sleutels, raakte ik mijn portefeuille kwijt of zocht ik uren naar mijn bril? Ik werd er gek van maar zij natuurlijk nog gekker! Zo kronkelden we even later weer langs de kust, 40 kilometer noordwaarts. Daar lag de schoen middenin het zand, heel relaxed op ons te wachten. ‘s Avonds liep ik erop, samen met Anna door het centrum van Tropea. Wat  haat ik het als bij ieder café of restaurant een werknemer staat die je naar binnen probeert te grijnzen. Tropea is mooi, maar -zoals zoveel steden in Italië- verziekt door het toerisme.

De volgende dag kochten we op de markt van het dichtbij Tropea gelegen plaatsje Mileto tien kilo uien en een groot stuk nduja. Ook moesten we nog op zoek naar de zoethout-plant. Opnieuw reden we dwars door Calabrië. Oogverblindend mooi, maar waar we ook keken en aan wie we het ook vroegen: geen Glycyrrhiza. Ik begon de moed al een beetje te verliezen. In de buurt van Catanzaro waar we iets in een klein restaurantje aten, dacht de eigenaar heel lang na en zei toen: “Jullie moeten naar de streek rond Rossano” dat is het land van herkomst van de liquirizia. Het lag nog 170 km noordelijker, maar wel op weg naar Puglia dus ik kreeg weer hoop. In de buurt van Rossano dacht een verkoper van tuinartikelen heel lang na en zei toen: “Het is een stomme plant, maar ik weet wel waar ie groeit. Jullie moeten naar het station. Daarachter loopt een weg naar het strand en daarlangs vind je hem. En inderdaad, daar stond hij. Een heleboel zelfs, plantjes die zich eenvoudig lieten uitgraven en waarvan de wortels heel sterk naar zoethout smaakten!

We namen er een paar mee om thuis te planten. Toen we voldaan met onze vondst verder reden zag ik gedurende vele kilometers in de berm vele liquirizia-planten. Het land was ermee bezaaid!

 

Tanti baci,,

Frans

Ciao fratello,

Ciao fratello,

Ik dacht dat jij in het mooiste stukje Italië woonde, maar er is dus nog een tweede prachtig, onontgonnen gebied. En het treft dat ik iets minder allergisch ben voor toerisme, zeker als het Italianen op vakantie in eigen land betreft.

Ondertussen ben ik druk bezig een nieuw stuk tuin om te werken tot moestuin. Geen eenvoudige zaak, zeker niet als je bezoek krijgt van Bambi. Gisterochtend lag er een een onweerstaanbaar reebokje rustig te herkauwen in mijn ontluikende eldorado. Gek is ie op jonge erwtenspruiten en toppen van lathyrus, wat inderdaad ongeveer hetzelfde is. Ik mag van geluk spreken dat ie kennelijk niet van spruitjes hield.

Liefs

Karin

Licurdia – Calabrese uiensoep

Voor 4 personen

Ingrediënten:

  • rode uien – 1 kilo
  • oud brood – 4 sneetjes
  • aardappels – 3
  • pecorino romano (of een andere oude schapenkaas) – 8 eetlepels, geraspt
  • cacciocavallo (of een andere pittige kaas, zoals parmiggiano reggiano) – een half ons, in kleine dobbelsteentjes
  • Spaans pepertje – 1
  • zout, peper.

Aanwijzingen:

Snij de uien in dunne plakken en doe ze in een pan, (liefst terracotta) of een andere pan met een dikke bodem. Snij de aardappelen in kleine stukjes en doe ze bij de uien in de pan. Doe er een liter water en een snuf zout bij en breng aan de kook. 
Doe een deksel op de pan maar laat een deel onbedekt en laat alles een half uurtje koken op een nogal laag vuur, tot de uien gaar zijn.  Rooster de sneetjes brood, wrijf ze in met het Spaanse pepertje en verdeel ze over 4 borden.  Verdeel de cacciocavallo over het brood, giet de soep erover en strooi er de pecorino over.