Ciao fratello,

Gisteren kreeg ik telefoon van de buren verderop. Of ik alsjeblieft wat goudrenetten wilde komen halen. Hoezo alsjeblieft? Dolgraag! Even later stond ik in hun schuur en begreep waarom het verzoek had geklonken als een noodkreet. Waar ik ook keek zag ik appels. Zakken, emmers, kartonnen dozen vol. Oogst kan ook beklemmen. ‘Als je ze koel en droog en naast elkaar weglegt, kun je ze wel tot kerst goed houden hoor’, zei de buurvrouw bemoedigend. Ik vulde twee tassen en verheugde me op appelmoes die avond. Toen ik wegging vroeg ze of ik wist wat je met tamme kastanjes kunt doen. Ze wees op een kinderbadje vol. Nee, ik wist niks met kastanjes, behalve poffen op een houtvuurtje. Inmiddels heb ik bedacht dat ik ooit een ‘gâteau au marron’ probeerde te maken. Je moest gekookte, maar nog steeds taaie kastanjes door een roerzeef draaien en vermengen met melk. Er kwam nog veel meer bij kijken, maar het resultaat van alle inspanning herinner ik me als teleurstellend. Ook vroeg ik me af of je zelf van die zoete ‘crème de marrons’ kunt maken. Heerlijk in toetjes. Maar die wordt vast nooit zo lekker als de crème uit dat mooie ouderwets blikje van Clement Faugier.

Liefs

Karin

Carissima sorellina mia,

Soms, heel plotseling, zie ik in Anna, die normaal gesproken een volwassen vrouw is en bovendien, sinds we alweer zeven jaar (!) getrouwd zijn, mijn dagelijkse steun en toeverlaat, een heel klein meisje. Bijvoorbeeld als ze zich herinnert hoe ze als kind op weg naar haar school in Padova een papieren puntzak met ‘caldarroste’ kocht: vanaf eind oktober, begin november stond er op een straathoek of piazza een echtpaar achter een op de helft doorgezaagd olievat, dat gevuld was met gloeiende houtskool. Daarboven, in een reusachtige ijzeren pan waarin gaten waren geboord, werden kastanjes gepoft. Op koude, donkere winterdagen warmden de kinderen zich aan het vuur en keken met open mond naar de vonkenregen die het schudden van de pan teweeg bracht. Ze kochten voor 500 lire een zak kastanjes, stopten er een paar in hun jaszak om hun handen warm te houden en aten de rest op.

Op de rommelmarkt van Martina Franca zag ik een interessant werktuig om kastanjes mee te poffen. Het ding lijkt als twee druppels water op de kooi waarin lottoballetjes worden rondgedraaid, met als verschil dat het boven een houtvuur wordt geplaatst. Al ronddraaiend, pof je de kastanjes. Voor veel Italianen zijn kastanjes lange tijd zo’n beetje de belangrijkste voedingsbron geweest, vooral in Toscane met zijn uitgestrekte kastanjebossen. Op plaatjes uit die streek zie je wel eens riviertje waarin een groot schoeprad door snelstromend water wordt rondgedraaid. Binnen in zo’n watermolen (ze bestaan ook nog in het ècht), malen ze gedroogde kastanjes, en van het meel worden de goddelijkste gerechten bereid. Het bekendste is de ‘castagniaccio’ een stevige, platte cake zonder suiker! Op zoek naar kastanjemeel dus. Je kunt je buurvrouw misschien blij maken door haar te vertellen dat je kastanjes goed kunt bewaren door ze in te vriezen. Zowel rauw –dan moet je ze even met een mesje inkepen– of geroosterd. Je kunt ze later koken zonder ze eerst te ontdooien.

Tanti baci,

Frans

Castagnaccio – Kastanjetaart
Natuurwinkels hebben kastanjemeel, of ze kunnen het bestellen bij De Nieuwe Band. Je maakt er ook heerlijke pannenkoeken mee. Vergeet niet een paar naaldjes rozemarijn mee te bakken. Ook lekker met gewelde rozijnen. En met plakjes goudrenet natuurlijk.

Ingrediënten:

  • kastanjemeel – 300 gram
  • water – een halve liter (of melk)
  • rozijnen – een flinke handvol
  • pijnboompitten – en/of gepelde walnoten, een flinke handvol
  • rozemarijn – verse, een handvol
  • olijfolie
  • zout

Aanwijzingen:

Verwarm de oven voor op 220 C. Laat de rozijnen wellen in een kopje lauw water. Doe het kastanjemeel in een schaal met een mespunt zout. Voeg nu, al roerend met een garde, beetje bij beetje, het water erbij tot je een slap beslag hebt, zonder klontjes. Laat een half uur rusten. Verhit drie eetlepels olijfolie in een pannetje en laat daarin de naaldjes rozemarijn even zachtjes fruiten. Draai het vuur uit. Vet een kleine springvorm (bekleed met bakpapier) of een glazen ovenschaal in met een eetlepel van de olie met rozemarijn. Dep de gewelde rozijnen met keukenpapier en bestuif ze met wat meel. Roer ze dan samen met de noten, pitten en een eetlepel van de olijfolie (naaldjes mogen erbij) door het beslag en giet het in de vorm. Schenk de overgebleven olie er overheen en laat de taart gedurende 40 minuten in de oven garen op 180 C. Blijf opletten, want verbranden ligt op de loer.